Summerschool 2018 | Resilient Embankments

De summerschool 2018 had als thema Resilient Embankments, veerkrachtige oevers, en vond plaats in de uiterwaarden van Lent net achter de dijk langs de Waal. Dit was de zesde editie van de jaarlijkse summerschool die door vier scholen langs de Rijn wordt georganiseerd: de Fachhochschule in Konstanz, de ENSAS en de INSA in Straatsburg en Artez Academie van Bouwkunst. Van 8 tot en met 13 juli waren 29 internationale studenten neergestreken in het tijdelijke campement op het terrein van de Historische Tuin in Lent.

De locatie aan de Waal was gekozen vanwege de grote by-pass die daar onlangs was voltooid. De gigantische ingreep om Nijmegen te behoeden voor hoog water geeft een goed beeld van het Nederlandse gesleutel aan de rivieren om de delta leefbaar te houden. In de summerschool wilden we de internationale studenten min of meer laten ervaren hoe het is om in de omstandigheden van een delta te ontwerpen.

De opgave voor de summerschool was om een afgebakend gebied van de Waaloevers op schaal na te bouwen. Vervolgens werden in dat schaalmodel nieuwe toevoegingen ontworpen.

Het materiaal waarmee het schaalmodel werd gemaakt, was een zorgvuldig samengesteld mengsel van leem, zand en klei. In de aanloop naar de summerschool hadden Bob Zanders en Koen Geraedts geëxperimenteerd met mengsels die voldoende kneedbaar, stevig en soepel waren en die ook vormvast waren bij het drogen. Met het gekozen mengsel werd de ‘plaat’ van het schaalmodel aangelegd. Vervolgens konden de studenten het modelleren door bikken, schaven, meer of minder water toevoegen en andere technieken die al werkend ontstonden.

De Historische Tuin was een prachtig locatie om te bivakkeren.

Iedere groep presenteerde het plan dat zij voor een zone in het model hadden gemaakt. Cees Zoon en Paul Goedknegt van de gemeente Nijmegen waren ook bij de presentatie aanwezig en reageerden op de plannen.

DCIM100MEDIADJI_0009.JPG

De volgende summerschool in deze reeks van “International Summerschools on the Rhine River” zal door de Fachhochschule in Konstanz worden georganiseerd.

Galerij

Slotdag studiejaar 2017-2018

Op vrijdag 6 juli 2018 werd voor het eerst de Koersbepaling gecombineerd met de beoordeling van de praktijkportfolio’s van het tweede semester. Voor de studenten die aan beide onderdelen deelnamen, betekende dit een getrapte presentatie waarbij eerst het portfolio werd toegelicht en vervolgens het bredere perspectief van de Koersbepaling aan de orde kwam.

De voorbereiding van deze dag had tot een ingenieuze planning geleid, waarin niet alleen de studenten, maar ook de beoordelende docenten zoveel mogelijk naar hun eigen wensen waren ingedeeld. De indeling van de docenten was al lang van te voren in gang gezet, omdat twee groepen docenten (de docenten uit de Praktijkcel die de portfolio’s beoordelen en de docenten uit het KB-team die de Koersbepalingen deden) met elkaar gecombineerd moesten worden.

Bovendien wilden we ook dat de studenten, die niet zelf aan de beurt waren, een actieve rol speelden door de tijd te bewaken en ‘peer-notes’ te maken die na afloop van hun presentatie en aan hun collega-studenten werden meegegeven.

Hieronder een willekeurige verzameling beelden van die dag.


Moniek en Gerard geven als levende kariatide en atlant de eerste uitleg over de opzet en het verwachte verloop van de dag.


De presentaties en besprekingen zijn van start gegaan in zeven ruimtes.


Laatste voorbereidingen voor wie even niet is ingedeeld.


Bijpraten tussen de bedrijven door.


Lunch bij De Kookplaats.


Lunch.


Het middagprogramma loopt.


Gesprekken in volle gang.


Debriefing van docent.


De planning loopt tegen het einde.


Napraten over de nieuwe opzet van deze dag.


Ontspanning.


Ervaringen uitwisselen.


In afwachting van het buffet waarmee de dag wordt afgesloten.

“Experience lectures” door Annalise Rees en Miranda Nieboer

Op vrijdag 15 juni 2018 werden door Dr. Annalise Rees en PhD-kandidaat Miranda Nieboer lunchlezingen verzorgd rond het thema “experience”. In de lezingen vertelden ze over twee verschillende onderwerpen van onderzoek, maar beiden hadden als gemeenschappelijk element dat de handeling en de ervaring centraal stonden in het onderzoek. Bij Annalise Rees vormden haar tekeningen en de manier waarop zij het tekenen tot verkennen had gemaakt het centrale thema. Door Miranda Nieboer werd het onderzoek naar interieure ruimte in Antarctische omstandigheden toegelicht.

Beiden waren bij de masteropleiding Architectuur te gast om mee te draaien in het voorbereidingsprogramma van het laatste grote reflectie- en beoordelingsmoment van het studiejaar: de gecombineerde beoordeling van de praktijkportfolio’s en de individuele koersbepalingen door de studenten. Tijdens het voorbereidingsprogramma werd er een formule toegepast die wel wat weg heeft van simultaan schaken. Alleen maakten de grootmeesters (Annelise en Miranda) nu maar één ronde langs de borden (de studenten). De lunchlezingen waren een onderbreking in het simultaan preppen.

Het beeld laat zien hoe Annalise Rees tijdens haar tochten op zee langs oude kusten en tussen de vissers die hun werk doen, tekenen gebruikt om te documenteren en vast te leggen. Tekenen is haar onderzoeksmiddel en de tekening is het document waarop de informatie is vastgelegd. Ze verwijst in haar werk naar de oude ontdekkingsreizigers die onbekend land, Terra Incognita, door middel van tekeningen en kaarten documenteerden. Voor Annalise is de tekening nog steeds de manier om onbekend terrein te ontginnen. En het begrip terrein moet dan breed opgevat worden; het gaat net zo goed over de plek, als over het handelen van de mensen en om dat te doorgronden. Terra Incognita is in dat opzicht meer metaforisch dan letterlijk onbekend land.
Bij de Universiteit van Tasmanië heeft zij haar manier van werken verder ontwikkeld en theoretisch onderbouwd met haar doctoraat als resultaat.
Op haar website staat veel beeldmateriaal en informatie over haar projecten. In een mooie tekst over haar project in Montreal beschrijft ze haar werkwijze: Finding Place – Annalise Rees

Miranda Nieboer, alumna van de masteropleiding Architectuur en momenteel in de afrondende fase van haar promotieonderzoek bij de Universiteit van Tasmanië, vertelde over haar onderzoek naar de ‘architectuur’ op Antarctica. Wat zijn de voorwaarden en de omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden om een verblijf op Antarctica mogelijk te maken? Om die omstandigheden aan den lijve te ondervinden is Miranda mee geweest met een expeditie op Antarctica. Het onderzoeksstation waar zij gedurende enkele weken verbleef, lag op 1100 kilometer van de kust. Om daar te komen trok een convooi van speciale ijstractoren gedurende 11 dagen telkens 100 km per dag over de volledig uitgestorven ijsvlakte. Behalve het convooi zelf, biedt de omgeving in die situatie geen enkel houvast. De film die Miranda over deze tocht vertoonde, liet niet alleen de gigantische leegte van het ijs zien, maar we hoorden ook het gevecht tegen vermoeidheid, slaap en desoriëntatie. Het komende jaar rondt Miranda haar onderzoek naar de interieure ruimtes op Antarctica af. Na de voltooiing van haar dissertatie zullen we haar ongetwijfeld op de Academie terug zien om uitgebreid over haar inzichten te vertellen.

De Beste Boeken van ArtEZ Academie van Bouwkunst (2)

Het tweede boek uit de selectie Beste Boeken 2017 waar ArtEZ Academie van Bouwkunst bij betrokken was – in dit geval als mede-opdrachtegever – is: “Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen. Ontwerpend onderzoek voor de toekomst van stedelijke regio’s”. Het is de publicatie die het netwerklectoraat Future Urban Regions (FUR) onder leiding van Eric Frijters heeft gemaakt als verslag van het onderzoek dat in de jaren 2013 – 2016 is uitgevoerd. Tegelijkertijd is het meer dan een eindverslag; het biedt tevens elementen voor een vervolgagenda waarmee het onderzoek naar gezonde verstedelijking kan worden voortgezet.

Het netwerklectoraat FUR functioneerde in opdracht van de zes Nederlandse Academies van Bouwkunst, die met FUR uitwerking gaven aan een subsidie die in het kader van Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp door het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu was verstrekt. Vanuit ArtEZ Academie van Bouwkunst maakte onderwijscoördinator Ady Steketee deel uit van de kenniskring. Hij heeft vanuit die rol bijgedragen aan de publicatie. Ook Thijs van Spaandonk, al jarenlang een vaste kracht in het derde jaars Onderzoeksprogramma van de master Architectuur, heeft een bijdrage aan de publicatie geleverd.

Behalve een uitgebreide toelichting op de positie en de doelstellingen van FUR behandelt de publicatie ook de ontwikkelde methodes van onderzoek en de projecten die in de onderwijsprogramma’s van de deelnemende Academies zijn uitgevoerd. Per type project zijn er bovendien gerealiseerde projecten uit binnen- en buitenland opgenomen die het beeld van de mogelijke ingrepen in de stedelijke omgeving aanvullen.

Het netwerklectoraat FUR is inmiddels op stoom gekomen in de tweede ronde van de ARO (Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp), die van 2017 – 2020 loopt. De samenwerking met de Academies van Bouwkunst blijft ook de komende jaren cruciaal voor het functioneren van FUR (zie ook de bijdrage van 10 februari 2018).

De Beste Boeken van ArtEZ Academie van Bouwkunst (1)

Op 5 maart werd bekend gemaakt welke boeken behoorden tot de Beste Boeken 2017. Tot onze verrassing bleek dat er twee boeken bij zaten waar ArtEZ Academie van Bouwkunst als opdrachtgever bij betrokken was.
Het eerste boek is “De gestiek van de architectuur, Een leerboek hedendaags maniërisme”, van Frans Sturkenboom. Frans Sturkenboom is al vele jaren docent bij de masteropleiding Architectuur.

Behalve docent bij ontwerpateliers stond Frans de afgelopen jaren vast ingeroosterd voor de reeks Cultuurbeschouwing 2, die hij invulde met “Grondbegrippen van de architectuur”. Het dictaat dat hij voor deze reeks ontwikkelde, was in de ogen van de opleiding en van Peter Sonderen, lector Theorie in de kunsten, zo interessant dat Frans werd uitgenodigd om het tot een voldragen manuscript uit te werken. De ‘eigen’ uitgeverij ArtEZ Press adopteerde het project en een financiële bijdrage uit het Innovatiefonds van ArtEZ maakte de uitvoering verder mogelijk.

De vormgever van het boek, Josse Pyl, pakte het thema van het maniërisme op en ontwierp een speciale cijferreeks voor dit boek. De wijze waarop de afbeeldingen zich zowel verhouden tot de tekst, als tot de vorm van het boek, draagt bij aan het fenomeen ‘leerboek’. Tot slot geeft de tactiliteit van de omslag uitdrukking aan één van de centrale stellingen van Frans Sturkenboom waarin hij stelt dat de ‘dramatiek’ of ‘diepte’ van het vlak één van de geboortemomenten is van de gestiek van de architectuur. Om dat te ervaren, is het echt nodig om het boek ter hand te nemen.

Planning FUR in het onderwijs

Een meterslang tijdschema voor de jaren 2018, 2019 en 2020 vormde het centrale document waar 8 februari 2018 aan werd gewerkt door de voltallige kenniskring van het netwerklectoraat Future Urban Regions (FUR) en een vertegenwoordiging van de zes Academies van Bouwkunst.

De kern van FUR is om actuele ontwerpvraagstukken in de stedelijke regio’s te onderzoeken en mogelijke strategieën te ontwikkelen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de masteropleidingen van de zes Academies van Bouwkunst. Samen met ‘derden’, betrokken partijen of coalities van betrokken partijen, worden vraagstellingen in het ontwerponderwijs van de masteropleidingen aan de orde gesteld. Met de resultaten uit het onderwijs wordt door de kenniskring verder gewerkt; ofwel wordt een vervolgvraagstelling voor een nieuw onderwijsproject ontwikkeld, ofwel worden de resultaten verwerkt in een bredere studie waar meer praktijkresultaten – ook internationaal – met elkaar worden verbonden.

De planningsbijeenkomst had als doel om voor de komende jaren de inzet van FUR in de onderwijsprogramma’s van de masteropleidingen te bespreken.

De bijeenkomst was een groot succes omdat gedurende het gesprek duidelijk werd dat de wederzijdse vragen goed in elkaar grepen en de meerwaarde van een gemeenschappelijk onderzoeksprogramma als FUR overduidelijk zichtbaar werd. De komende jaren zullen daarom ook bijeenkomsten met meerdere of alle opleidingen worden georganiseerd om resultaten te delen en de ontwikkelde werkwijze nog verder uit te diepen.
Voor de masteropleiding Architectuur van ArtEZ Academie van Bouwkunst betekent dit – naast mogelijke nieuwe activiteiten – dat het Onderzoeksprogramma in het 3e jaar ook de komende jaren in overleg met FUR zal worden ingevuld.

Netwerklectoraat FUTURE URBAN REGIONS 2017-2020

Op 3 oktober 2017 presenteerde lector Eric Frijters de eindpublicatie van de eerste vier jaar van het netwerklectoraat Future Urban Regions. “Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen” heet de publicatie, die naast theoretische essays ook de projecten bevat die binnen de onderwijsprogramma’s van de zes Academies van Bouwkunst hebben gedraaid. In aanvulling op de onderwijsprojecten zijn ook veel case-studies opgenomen van ander steden in binnen- en buitenland. De publicatie laat aan de hand van de ontwerpstudies en concrete voorbeelden uit de praktijk zien hoe de stand van zaken is rond het centrale onderzoeksthema van de gezonde verstedelijking.

In de publicatie zijn ook veel studies opgenomen die door de 3e jaars studenten van de masteropleiding Architectuur zijn gedaan. Deze studies zijn ook door ArtEZ Academie van Bouwkunst gedocumenteerd. De laatste jaren is telkens een ‘magazine’ gemaakt.

Ook zijn er video’s waarin de bestudeerde onderwerpen door scenario’s werden verbeeld. Hier is een voorbeeld:

De publicatie “Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen” was, zoals gezegd, de afronding van de eerste vier jaar van het netwerklectoraat; de periode 2013 – 2016. Inmiddels draait de tweede rond al; van 2017 – 2020. Ook in de tweede ronde maakt het netwerklectoraat FUR deel uit van de ARO, de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp. De ARO wordt door meerdere Ministeries ondersteund en heeft als doel om de ontwerpkracht voor nieuwe ruimtelijke opgaven en innovatieve ontwerpoplossingen te stimuleren. De subsidie vanuit de ARO maakt het mogelijk dat FUR het onderzoek kan doen zonder de onderwijsbegroting van de deelnemende opleidingen te belasten.

Voor de periode 2017 -2020 heeft FUR een nieuwe werkwijze ontwikkeld. De nieuwe opzet is terug te vinden in de indeling van de publicatie. Centraal staan 3 vragen: wat, hoe en wie. Bij ‘wat’ gaat het er om de vraag te stellen naar wat gezonde verstedelijking is. Welke onderdelen maken er deel van uit? Welke onderwerpen kunnen in het onderwijs bestudeerd en onderzocht worden? Bij ‘hoe’ gaat het om de werkwijze en methodiek. Dit onderdeel zal de benaderingswijze van het netwerklectoraat verder uitdiepen en verfijnen. De derde vraag, ‘wie’, gaat over de partijen die betrokken zijn (of zouden moeten zijn) om de gezonde verstedelijking te realiseren.
Het lopende onderzoeksproject in ons onderwijs, dat nu door het 3e jaar wordt uitgediept in een kort atelier, hoort bij de laatste categorie, maar het toont ook de verwevenheid met de vragen ‘wat’ en ‘hoe’.

Eric Frijters wordt als lector ondersteund door 6 onderzoekers en een ‘projectmanager’ die zorgt dat alles soepel loopt. In de praktijk zullen de onderzoekers veel samenwerken, niet alleen met elkaar, maar ook met de masteropleidingen van de Academies van Bouwkunst. Vanuit het perspectief van de opleiding levert het netwerklectoraat een waardevolle bijdrage aan het programma: er worden actuele en complexe onderwerpen aan de orde gesteld, er wordt door de studenten geoefend met onderzoeksvaardigheden en de studenten krijgen zicht op nieuwe beroepsrollen die zich in het werkveld aan het ontwikkelen zijn.

Plein18 – terugblik op de presentaties

In een eerste reactie op de presentaties van Plein18 zei Ralph Brodrück, de geestelijk vader van de thematiek in de workshops, dat hij vooral aan ‘poëzie’ dacht bij alles wat had gezien en gehoord. Misschien is een poëtische verslaglegging wel de beste manier om iets over de workshops aan anderen over te brengen, waren ongeveer zijn woorden.

Plein18 borduurde voort op het centrale thema van Plein17: Proprioceptie, ruimtegevoel en zelfwaarneming in de ruimte. In Plein18 werd die zelfwaarneming nadrukkelijker gekoppeld aan de ruimtelijke omgeving. Vanuit de stelling dat ieder mens zichzelf in een omgeving gewaar wordt, speelden de drie workshops van Plein18 zich op drie locaties af waar verschillende ruimtelijke condities golden. Eén workshop vond plaats op een tweemaster op de Waddenzee. Hier gold dat werd gespeeld met de stabiliteit van de ondergrond. Het vasteland werd letterlijk verlaten voor een aantal dagen leven op een deinende boot. Een andere workshop vertrok naar Tromso in Noorwegen, gelegen boven de poolcirkel, om daar de donkerte van het leven zonder zonlicht mee te maken. Lange wandeltochten door besneeuwde vlakten in een schemerige wereld stellen het ruimtegevoel en de waarneming op de proef. De derde workshop richtte zich op beleving en lichamelijke gewaarwording van bijzondere interieure ruimtes in Arnhem.

De presentaties van de drie workshops waren heel verschillend en weerspiegelden op hun eigen manier hoe de workshops waren verlopen. De groep studenten die op de Waddenzee hadden gezeild, transformeerden het auditorium tijdens hun presentatie in een performatieve ruimte waarin feitelijke gegevens over de zeiltocht, kaarten, beelden, voorgelezen persoonlijke ervaringen en beschrijvingen, de traagheid van de boot op de weidsheid van het Wad navoelbaar maakten.
Bij de video’s van de groep uit Tromso was goed zichtbaar dat de ruige natuur, de ligging van de stad tussen bergen en water, de sneeuw en het ijs, de condities van het licht gedurende de dag, het prachtige noorderlicht ’s nachts en de gemeenschappelijke (yoga-)oefeningen die het groepsgevoel versterkten, allemaal onderdelen waren van de ‘andere’ omgeving.
De derde groep had in een ander lokaal een ruimtelijke installatie gemaakt die aanvankelijk alleen door geluidsfragmenten bij de bezoekers een sferisch beeld opriepen van de ruimte waarin de geluidsfragmenten waren opgenomen. Ook werd onderzocht hoe luisteren als een vorm van way-finding kan werken.

Ralph Brodrück las als onderdeel van zijn eerste reactie ook enkele van zijn eigen waarnemingen en aantekeningen voor. Hieruit bleek ook de tastende en persoonlijke manier waarop ieder van dergelijke lijfelijke ervaringen en gewaarwordingen verslag probeert te doen.
Aan die verslaglegging wordt de komende tijd nog op twee manier verder gewerkt. Eén traject is het maken van een publicatie waarin de workshops worden toegelicht en een indruk wordt gegeven van de rijkdom van ervaringen die het heeft opgeleverd, zowel bij studenten als bij de begeleidende de docenten. Die publicatie zal ook veel beelden bevatten (die in deze post nog ontbreken…) 
Het tweede traject is de eerste stap in een meerjarig onderzoek naar een vocabulair om over dergelijke ervaringen te spreken en dit mede-deelbaar te maken. De inzichten die Ralph Brodrück bij zijn promotieonderzoek aan de TU Eindhoven naar dit onderwerp opdoet, zal de masteropleiding Architectuur de komende jaren graag blijven testen. Het zijn prikkelende ontmoetingen op het grensgebied van de persoonlijke poëzie en het ‘verifieerbare’ onderzoeksdiscours.

Summerschool 2017 Strasbourg | de video’s

Van 8 tot en met 12 juli 2017 vond de vijfde editie van de Summerschool plaats. Dit keer hadden de INSA en ENSAS in Straatsburg de handen ineen geslagen om een workshop op te zetten rond het thema Rheinliebe / Rhin mon amour. Samen met studenten van de architectuuropleidingen van de Fachhochschule Konstanz en ArtEZ Academie van Bouwkunst werden gemixte groepen samengesteld. Om het centrale thema uit te werken, kon iedere groep een eigen locatie aan de Rijn uit zoeken (ook in de oude havenbekkens van Straatsburg) en iedere groep mocht de uiting van de liefde voor de Rijn zelf concreet maken. Het eindproduct was wel voorgeschreven: iedere groep moest een korte film maken.

De gekozen thematiek hield ook verband met de transities die het havengebied van Straatsburg doormaakt. Een groot deel van de havenactiviteiten worden verplaatst naar nieuwe havenbekkens verderop in de Rijn. De vrijgekomen gebieden worden herontwikkeld zoals dat in veel havensteden aan de hand is. De relatie met de Rijn heeft in Straatsburg nog een extra component doordat aan de overzijde Duitsland ligt. Straatsburg en Kehl werken aan goede verbindingen; een symbolische geste is de vriendschapsburg voor voetgangers en fietsers die beide steden verbindt. In aanvulling op deze brug is inmiddels ook een lightrailbrug gebouwd, waardoor het openbaar vervoer beide steden op elkaar aansluit. Het havengebied van Straatsburg zal de komende jaren stap voor stap op de stad worden aangesloten. De havenstructuur blijft daarbij bewaard en de aanwezigheid van de Rijn is daarmee onmiskenbaar.

Om de studenten een voorbeeld te laten zien van een crossover / internationaal ruimtelijk ontwikkelingsproject werd een bezoek gebracht aan IBA Basel. Na een lezing over de geschiedens van dit langjarige project en de huidige stand van zaken ging een fietstocht door Basel, langs de oevers van de Rijn en eindigde de tocht met een zwempartij in de Rijn. (Een mooie formule werd daar gebruikt. Vanwege de sterke stroming waren er waterdichte zakken waar je je spullen in kon doen en als je dan ging zwemmen nam je je spullen een eind mee over het water. Bij de aanlandplaats kon je je dan weer omkleden. Het kostte natuurlijk wel even tijd om weer op de plek van vertrek terug te komen.)

Hieronder de video’s die door de studenten zijn gemaakt.

 

 

 

 

 


Tijdens de fietstocht door Basel, 9 juli 2017

Otto Wagners brug over de Wien in Liesing

Tijdens het bezoek dat ik in de herfstvakantie met onze eerstejaars studenten aan Wenen bracht heb ik mijn hart weer kunnen ophalen aan de werken van Otto Wagner. Deze stadsbouwmeester heeft in de periode dat de Ringstrasse en het U-Bahn netwerk opgebouwd werden de stad voorzien van een unieke en voorbeeldige verzameling gebouwen en infrastructurele werken. Tijdens onze eerste dag in Wenen bezochten we enige werken van zijn hand aan de U-Bahn Linie 6 en in het bijzonder de Wiental brücke in Liesing. Als groep wakkere architectuurreizigers moesten we even pauzeren en net bij een van de bruggehoofden de routekaart raadplegen. Terwijl alle verwarde wijsneuzen de weg aan het zoeken waren, had ik de gelegenheid om een wat intiemere relatie met deze brug aan te knopen.

Het is wellicht een wat kinky ingenieurs-fetish, maar de manier waarop Otto Wagner in deze brug een warmbloedige relatie weet te ontwikkelen tussen een eenvoudig, rationeel constructie schema en de andere bouwdelen is verrukkelijk. Door de subtiele uitdrukking van constructieve wetmatigheden in vaardig handwerk, prachtige verhoudingen en een afgewogen toepassing van materialen ontstaat een ronduit opwindende relatie. Deze relatie gaat verder dan alleen het accepteren van elkaar, het geduldig samenzijn; Wagner zorgt er ook voor dat elk onderdeel op zich een fijnbesnaarde uitdrukking krijgt.

Het lichtgrijze graniet van de bruggehoofden en middenpijler mag zijn zwaarte en onverzettelijkheid uitdrukken. De oorsprong van dit steen, diep in de bergen, en een robuuste, gestileerde ruigheid stralen er van af en tegelijk toont het zich in zijn elegante en krachtige verschijningsvorm als trots en zelfverzekerd onderdeel van de keizerlijke wereldstad die Wenen destijds was. Met zijn vier stoere obelisken situeert de brug zich met voldoende ‘présence’ in de context. Het speelt een elegante partij mee in de symfonie van de stad, zou je kunnen zeggen. Nu is de verankering in de aarde en de stad die door deze aardse component van de brug verzorgd wordt een aspect van het verhaal. De component die door de lucht gebouwd is, de overspanning, verdient hier even zoveel aandacht.

Het staalwerk (of is het nog ijzer met een hoog koolstofgehalte?) is immers nog boeiender door de manier waarop het een uiterst elegante en exacte uitdrukking is van het spel der krachten in deze brug die de vorm heeft van twee evenwijdige, doorlopende liggers over drie steunpunten. De brugliggers kennen over de hele lengte een gelijke hoogte waardoor ze zich als een eenvoudige vakwerkbalk tonen. De middenpijler bezit, in tegenstelling tot de twee bruggehoofden, geen obelisken aan de kop van elke pijler, maar een afgeknot restant dat een meerduidige interpretatie niet in de weg staat.

De middenpijler is in verband met kruisende infrastructuur (spoorlijn, gekanaliseerde rivier en weg) schuin onder de brug gepositioneerd. Hierdoor lijkt de brug telkens aan de rechterzijde een kortere overspanning te bezitten. In beide liggers kent het rechthoekige vakwerk rechts 12 vakken en links 15 vakken. Om geen storende beeldverschillen toe te laten, heeft Wagner deze oplossing met de rechthoekige vakwerken verkozen boven een constructief misschien meer voor de handliggende boog-vakwerk vorm. Als gevolg van de schuin geplaatste middenpijler zou het zij-aanzicht immers een rommelig (‘te dynamisch’) uiterlijk krijgen. Om een elegant beeld te verkrijgen, koos Wagner er vermoedelijk voor de brug met de vier obelisken in de stad te verankeren en de overspanning zelf terughoudend vorm te geven. Vanwege meer rust in het beeld verkoos hij ook om elk vakwerk-vak te voorzien van twee diagonalen die samen een ’X’ vormen. De rechthoekige vlakken die de brugliggers vormen, zijn op deze manier eenvoudig en neutraal opgevuld met dit kruisjespatroon. Althans, zo lijkt het totdat je de gelegenheid hebt om beter kennis te maken met de subtiliteiten van deze Weense schone.

Laten we onze beschouwing beginnen bij een van de granieten bruggehoofden en naar de dalende diagonaal kijken. Deze diagonaal bestaat uit twee brede strips platstaal die door een licht zigzagje van hoekstaal evenwijdig aan elkaar gehouden worden en aansluiten op de boven- en onderregel van de vakwerkligger. Laten we vanaf de bovenregel de diagonaal naar beneden volgen. Als onze blik de onderregel bereikt heeft, laten we ons oog langs de verticale staaf omhoog klimmen om bij de bovenregel de aanvang van de volgende dalende diagonaal aan te treffen. Deze diagonaal is iets verder verwijderd van ons, dus vanuit de kennis die we hebben over de werking van het perspectief verwachten we dat deze iets kleiner zal lijken. Maar zoveel kleiner? We volgen ook het verloop van deze staaf naar de onderregel en vervolgens dwaalt ons oog langs de volgende verticaal opnieuw naar boven toe. En daar is de aanvang van alweer een iets dunner ogende diagonaal. Een nauwkeurige inspectie leert dat onze ogen ons niet voor de gek houden: de stroken platstaal zijn werkelijk weer iets smaller. Hier lijkt een patroon in te zitten en we krijgen er plezier in om dat te ontdekken. Bij het vierde vak opnieuw en het vijfde ook: de diagonalen worden steeds slanker!

En dan opeens, na het zesde vak, gebeurt er iets onverwachts. Opeens wordt het platstaal vervangen door een dun hoekprofiel, of liever twee ‘L’-en die ruggelings aan elkaar bevestigd zijn met dunne koppelstripjes. Kenners snappen dit direct, want voorbij het midden van de overspanning verandert de kracht in staven die in deze richting lopen opeens van trek in druk. En bij drukbelasting heeft een staaf de neiging om uit te knikken. Dat kan voorkomen worden door toepassing van verstijvingen in alle richtingen. Die krijgen hier de vorm van twee hoekstalen die samen een ‘+’ vormen. En als we dan weer onze kijk-route vervolgen van bovenregel, langs de diagonaal naar de onderregel en weer verticaal omhoog tot de bovenregel en zo verder merken we dat de grootte van die ‘+’ ook verandert. Naarmate we het einde van de overspanning naderen, worden deze steeds groter en zwaarder. De drukkrachten worden aan het eind van de overspanning, nabij de oplegging ook steeds groter. De constructieve noodzaak wordt hier ingezet om het beeld te verfijnen. En als we de andere diagonalen beschouwen, de kruisende, zien we precies de tegenovergestelde ontwikkeling.

Bij vluchtige beschouwing valt er maar weinig te zien aan deze brug, maar bij nauwkeurige beschouwing des te meer. Het spel met de diagonalen in het vakwerk verschaft de constructie een levendige kwaliteit die je alleen in een schilderij zou verwachten. De ontwikkelende dikte van elke diagonaal, het verloop van het schaduwspel dat gespeeld wordt door de telkens iets andere geometrie van de staven en het stoere totaalbeeld verrijken de aanwezigheid van deze brug in de stad.

En zo zien we in deze ogenschijnlijk wat saaie rechthoekige vakwerkligger een waar feest aan welbespraaktheid. Het vertelt aan de geïnteresseerde beschouwer wat er in het innerlijk gebeurt. Het vertelt over de omgang met elementaire natuurkrachten die nodig zijn om in de lucht te construeren. Samen met de granieten onderbouw die vertelt over de verankering in aarde en stad ontvangt de beschouwer hier een subtiele, maar complete mededeling over het wezen van deze brug. De manier waarop we hier de kans krijgen om de relationele complexiteit van een utilitair ‘kunstwerk’ te ontdekken, begrijpen en genieten is niet minder dan een erotische ervaring. En omdat de uitdrukking van deze complexe verhalen dermate subtiel is, zijn ze eigenlijk een goed verborgen geheim. Het doorgronden van deze geheimen maakt het liefderijke genot alleen maar groter.

Ady Steketee, 15 november 2017