Otto Wagners brug over de Wien in Liesing

Tijdens het bezoek dat ik in de herfstvakantie met onze eerstejaars studenten aan Wenen bracht heb ik mijn hart weer kunnen ophalen aan de werken van Otto Wagner. Deze stadsbouwmeester heeft in de periode dat de Ringstrasse en het U-Bahn netwerk opgebouwd werden de stad voorzien van een unieke en voorbeeldige verzameling gebouwen en infrastructurele werken. Tijdens onze eerste dag in Wenen bezochten we enige werken van zijn hand aan de U-Bahn Linie 6 en in het bijzonder de Wiental brücke in Liesing. Als groep wakkere architectuurreizigers moesten we even pauzeren en net bij een van de bruggehoofden de routekaart raadplegen. Terwijl alle verwarde wijsneuzen de weg aan het zoeken waren, had ik de gelegenheid om een wat intiemere relatie met deze brug aan te knopen.

Het is wellicht een wat kinky ingenieurs-fetish, maar de manier waarop Otto Wagner in deze brug een warmbloedige relatie weet te ontwikkelen tussen een eenvoudig, rationeel constructie schema en de andere bouwdelen is verrukkelijk. Door de subtiele uitdrukking van constructieve wetmatigheden in vaardig handwerk, prachtige verhoudingen en een afgewogen toepassing van materialen ontstaat een ronduit opwindende relatie. Deze relatie gaat verder dan alleen het accepteren van elkaar, het geduldig samenzijn; Wagner zorgt er ook voor dat elk onderdeel op zich een fijnbesnaarde uitdrukking krijgt.

Het lichtgrijze graniet van de bruggehoofden en middenpijler mag zijn zwaarte en onverzettelijkheid uitdrukken. De oorsprong van dit steen, diep in de bergen, en een robuuste, gestileerde ruigheid stralen er van af en tegelijk toont het zich in zijn elegante en krachtige verschijningsvorm als trots en zelfverzekerd onderdeel van de keizerlijke wereldstad die Wenen destijds was. Met zijn vier stoere obelisken situeert de brug zich met voldoende ‘présence’ in de context. Het speelt een elegante partij mee in de symfonie van de stad, zou je kunnen zeggen. Nu is de verankering in de aarde en de stad die door deze aardse component van de brug verzorgd wordt een aspect van het verhaal. De component die door de lucht gebouwd is, de overspanning, verdient hier even zoveel aandacht.

Het staalwerk (of is het nog ijzer met een hoog koolstofgehalte?) is immers nog boeiender door de manier waarop het een uiterst elegante en exacte uitdrukking is van het spel der krachten in deze brug die de vorm heeft van twee evenwijdige, doorlopende liggers over drie steunpunten. De brugliggers kennen over de hele lengte een gelijke hoogte waardoor ze zich als een eenvoudige vakwerkbalk tonen. De middenpijler bezit, in tegenstelling tot de twee bruggehoofden, geen obelisken aan de kop van elke pijler, maar een afgeknot restant dat een meerduidige interpretatie niet in de weg staat.

De middenpijler is in verband met kruisende infrastructuur (spoorlijn, gekanaliseerde rivier en weg) schuin onder de brug gepositioneerd. Hierdoor lijkt de brug telkens aan de rechterzijde een kortere overspanning te bezitten. In beide liggers kent het rechthoekige vakwerk rechts 12 vakken en links 15 vakken. Om geen storende beeldverschillen toe te laten, heeft Wagner deze oplossing met de rechthoekige vakwerken verkozen boven een constructief misschien meer voor de handliggende boog-vakwerk vorm. Als gevolg van de schuin geplaatste middenpijler zou het zij-aanzicht immers een rommelig (‘te dynamisch’) uiterlijk krijgen. Om een elegant beeld te verkrijgen, koos Wagner er vermoedelijk voor de brug met de vier obelisken in de stad te verankeren en de overspanning zelf terughoudend vorm te geven. Vanwege meer rust in het beeld verkoos hij ook om elk vakwerk-vak te voorzien van twee diagonalen die samen een ’X’ vormen. De rechthoekige vlakken die de brugliggers vormen, zijn op deze manier eenvoudig en neutraal opgevuld met dit kruisjespatroon. Althans, zo lijkt het totdat je de gelegenheid hebt om beter kennis te maken met de subtiliteiten van deze Weense schone.

Laten we onze beschouwing beginnen bij een van de granieten bruggehoofden en naar de dalende diagonaal kijken. Deze diagonaal bestaat uit twee brede strips platstaal die door een licht zigzagje van hoekstaal evenwijdig aan elkaar gehouden worden en aansluiten op de boven- en onderregel van de vakwerkligger. Laten we vanaf de bovenregel de diagonaal naar beneden volgen. Als onze blik de onderregel bereikt heeft, laten we ons oog langs de verticale staaf omhoog klimmen om bij de bovenregel de aanvang van de volgende dalende diagonaal aan te treffen. Deze diagonaal is iets verder verwijderd van ons, dus vanuit de kennis die we hebben over de werking van het perspectief verwachten we dat deze iets kleiner zal lijken. Maar zoveel kleiner? We volgen ook het verloop van deze staaf naar de onderregel en vervolgens dwaalt ons oog langs de volgende verticaal opnieuw naar boven toe. En daar is de aanvang van alweer een iets dunner ogende diagonaal. Een nauwkeurige inspectie leert dat onze ogen ons niet voor de gek houden: de stroken platstaal zijn werkelijk weer iets smaller. Hier lijkt een patroon in te zitten en we krijgen er plezier in om dat te ontdekken. Bij het vierde vak opnieuw en het vijfde ook: de diagonalen worden steeds slanker!

En dan opeens, na het zesde vak, gebeurt er iets onverwachts. Opeens wordt het platstaal vervangen door een dun hoekprofiel, of liever twee ‘L’-en die ruggelings aan elkaar bevestigd zijn met dunne koppelstripjes. Kenners snappen dit direct, want voorbij het midden van de overspanning verandert de kracht in staven die in deze richting lopen opeens van trek in druk. En bij drukbelasting heeft een staaf de neiging om uit te knikken. Dat kan voorkomen worden door toepassing van verstijvingen in alle richtingen. Die krijgen hier de vorm van twee hoekstalen die samen een ‘+’ vormen. En als we dan weer onze kijk-route vervolgen van bovenregel, langs de diagonaal naar de onderregel en weer verticaal omhoog tot de bovenregel en zo verder merken we dat de grootte van die ‘+’ ook verandert. Naarmate we het einde van de overspanning naderen, worden deze steeds groter en zwaarder. De drukkrachten worden aan het eind van de overspanning, nabij de oplegging ook steeds groter. De constructieve noodzaak wordt hier ingezet om het beeld te verfijnen. En als we de andere diagonalen beschouwen, de kruisende, zien we precies de tegenovergestelde ontwikkeling.

Bij vluchtige beschouwing valt er maar weinig te zien aan deze brug, maar bij nauwkeurige beschouwing des te meer. Het spel met de diagonalen in het vakwerk verschaft de constructie een levendige kwaliteit die je alleen in een schilderij zou verwachten. De ontwikkelende dikte van elke diagonaal, het verloop van het schaduwspel dat gespeeld wordt door de telkens iets andere geometrie van de staven en het stoere totaalbeeld verrijken de aanwezigheid van deze brug in de stad.

En zo zien we in deze ogenschijnlijk wat saaie rechthoekige vakwerkligger een waar feest aan welbespraaktheid. Het vertelt aan de geïnteresseerde beschouwer wat er in het innerlijk gebeurt. Het vertelt over de omgang met elementaire natuurkrachten die nodig zijn om in de lucht te construeren. Samen met de granieten onderbouw die vertelt over de verankering in aarde en stad ontvangt de beschouwer hier een subtiele, maar complete mededeling over het wezen van deze brug. De manier waarop we hier de kans krijgen om de relationele complexiteit van een utilitair ‘kunstwerk’ te ontdekken, begrijpen en genieten is niet minder dan een erotische ervaring. En omdat de uitdrukking van deze complexe verhalen dermate subtiel is, zijn ze eigenlijk een goed verborgen geheim. Het doorgronden van deze geheimen maakt het liefderijke genot alleen maar groter.

Ady Steketee, 15 november 2017