Oud-directeur John Carp overleden

JohnCarp

Op maandag 13 oktober 2014 is John Carp (75 jaar) onverwacht overleden. John Carp was directeur van de Academie van Bouwkunst in de periode van 1988 tot 2000. Bij zijn aantreden in het voorjaar van 1988 kwam John in een roerige tijd terecht. Het Ministerie van Onderwijs had de zogenaamde STC-operatie in werking gezet. STC stond voor Schaalvergroting, Taakverdeling en Concentratie. Het doel van de operatie was om het hoger onderwijs efficiënter in te richten. Door het onderbrengen van opleidingen in grotere hogescholen, zo was de veronderstelling, zouden allerlei processen gemeenschappelijk (en minder kostbaar) georganiseerd kunnen worden. In Arnhem leidde dat tot een fusie van de kunstopleidingen die samen de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem (HKA) gingen vormen. John regelde dat de Academie van Bouwkunst in de nieuwe kunsthogeschool werd opgenomen. Het meest duidelijk kwam dit tot uiting doordat het pand aan de Sonsbeekweg, waar de Academie al sinds decennia haar domicilie had, werd verlaten. De Academie werd medebewoner van het Rietveldgebouw aan het Onderlangs.

Maar met de fusie van de HKA was pas één kwestie uit die roerige tijd opgelost. De andere kwestie was de discussie over de hoge jeugdwerkloosheid, ook onder de pas afgestudeerde architecten. Nadat enkele commissies zich over deze kwestie hadden gebogen, werd van hogerhand voorgesteld om de studentenomvang van de opleidingen aan de Academies van Bouwkunst te maximeren. Bovendien vond men zes Academies van Bouwkunst in Nederland wel ruim bemeten; met minder zou het ook kunnen. John onderkende de mogelijke dreiging die van deze inzichten uitging en organiseerde op een actieve manier een Oost-Nederlandse lobby om de Arnhemse Academie te behouden. Dit is hem gelukt. Samen met de Academie in Groningen ging Arnhem deel uitmaken van de Academie van Bouwkunst RAG (Rotterdam, Arnhem, Groningen). Rotterdam was de hoofdvestiging en het bestuurlijk centrum; Arnhem en Groningen werden officieel nevenvestigingen, maar behielden wel de lesplaats in hun steden.
De Academie RAG, met John in het directieteam, bleek in de eerste jaren van zijnbestaan (vanaf 1993) bijzonder creatief en productief in de herziening en vernieuwde vormgeving van het onderwijs. De hoofdopzet van de onderwijsprogramma’s in de drie vestigingen werden gesynchroniseerd, zodat studenten bijvoorbeeld de ontwerpateliers in de andere vestigingen zouden kunnen volgen.

De herijking en afstemming van het curriculum van de opleiding kreeg ook vorm in de gezamenlijke opening van het studiejaar en de gemeenschappelijke excursies. John was, zo is mij vaak verteld, een belangrijke pleitbezorger van de gemeenschappelijke activiteiten. Ik heb in die tijd een opening meegemaakt die zich in Arnhem afspeelde. Het programma was opgebouwd rond enkele “grand travaux” van Arnhem: het Gelredome en één van de nieuwe overdekte klimaathallen in Burgers Zoo. Met een paar bussen werden de studenten en docenten van de RAG door Arnhem getransporteerd. Ook voor de excursie naar Portugal was grote belangstelling. Met twee bussen werden de projecten bezocht.

De bestuurlijke situatie van de Academie RAG bleef tot het einde van zijn functie als directeur in tact. In het laatste jaar voor zijn vertrek werd door de toenmalige staatssecretaris Rik van der Ploeg de regionale clustering van het kunstonderwijs gestimuleerd. Dat was voor John de aanleiding om de bestuurlijke constructie van de Academie RAG op de agenda te zetten. De uitkomst was dat in goed overleg met alle betrokken partijen de Academie RAG werd afgeslankt; de Academie in Arnhem werd bestuurlijk onderdeel van ArtEZ en de Academie in Groningen ging deel uitmaken van de Hanzehogeschool.

Binnen het onderwijsprogramma van de Academie bleef John al die tijd les geven. Hij verzorgde een oefening die was gebaseerd op de denkbeelden van de SAR. John was directeur geweest van de Stichting Architecten Research en het lag voor de hand dat de opvattingen van deze groep in het onderwijs een plek kregen.
Binnen de Academiegemeenschap was John de pater familias. Hij kende alle docenten en studenten. Hij was goed op de hoogte van de voortgang van de studenten, want ieder semester vulde John zelf de voortgangbriefjes in. Bij velen schreef hij er nog een persoonlijke opmerking bij.
Die persoonlijke aandacht gaf John tot aan het vertrek van de studenten vorm. Bij de jaarlijkse eindexamententoonstelling maakte John voor iedere student een limerick, die altijd een mooie toespeling bevatte op het afstudeerwerk, het karakter van de student of een memorabele gebeurtenis uit de studieloopbaan van de student.

Een bijzonder onderwijsproject, dat John ten voeten uit kenmerkt, zo vertelden oud-docenten van de Academie mij, was het Ethiopiëproject. John had een samenwerking met een universiteit in Addis Abeba opgezet. Studenten van de Academie gingen een bezoek brengen aan Ethiopië om daar de lokatie en de opgave te bestuderen. Terug in Nederland werd de ontwerpen in het reguliere onderwijsprogramma ontwikkeld. Omgekeerd kwamen later studenten uit Ethiopië naar Arnhem om de Nederlandse architectuur en stedenbouw te bestuderen. Voor de studenten die aan dit project deelnamen was het geweldige ervaring die ze niet zullen vergeten. Voor John gaf dit project uiting aan zijn overtuiging dat we kennis en inzichten moeten delen om de wereld tot een betere plek te maken.

De dag voorafgaand aan het officiële afscheid van John van de Academie op 6 oktober 2000 vond een historische gebeurtenis plaats die onverwacht een extra dimensie aan het afscheid toevoegde: de val van het regime van Milosovich in Servië. Ruim een jaar eerder was John het middelpunt van een kleine rel die de landelijke dagbladen haalde en hem op een standje van de toenmalige collegevoorzitter van de Hogeschool Rotterdam kwam te staan. Een standje dat John met de trots van een verzetsman onderging, omdat hij volledig overtuigd was van zijn gelijk toen hij een Servisch meisje dat aan de Academie van Bouwkunst wilde studeren, had afgewezen met het argument dat we, Nederland, op dat moment met Servië in oorlog waren en dat we daarom beslist geen ingezetenen van Servië tot de Academie zouden toelaten. Dit standpunt van John getuigde van zijn rechtvaardigheidsgevoel en verontwaardiging over de absurditeit en onmenselijkheid van de burgeroorlogen die toen al bijna een decennium in voormalige Joegoslavië woedden. De val van Milosovisch was bijna een persoonlijke genoegdoening.

Sinds de erkenning van de Academie van Bouwkunst Arnhem als zelfstandige opleiding in 1949 was John de derde directeur. Zijn bewindsperiode werd op bestuurlijk vlak gekenmerkt door nieuwe allianties en slimme overlevingsstrategieën. Belangrijker nog is de sfeer die hij in de opleiding bracht; het gevoel voor iedereen, docenten en student,  dat hij of zij ertoe deed. Studeren was in de ogen van John een persoonlijke ontdekkingstocht en eigenlijk wilde hij die tocht bij iedereen op de voet volgen.

JohnCarp2